Een Bijbelse plicht van de kerk om open te blijven

Christus is de Heer van alles. Hij is het enige ware hoofd van de kerk (Efeziërs 1:22; 5:23; Colossenzen 1:18). Hij is ook de Koning der koningen – soeverein over elke aardse autoriteit (1 Timotheüs 6:15; Openbaring 17:14; 19:16). De kerk heeft altijd onveranderlijk gestaan op die Bijbelse principes. Als Zijn volk zijn we onderworpen aan Zijn wil en geboden zoals geopenbaard in de Schrift. Daarom kunnen en willen we niet instemmen met een door de overheid opgelegd verbod op onze gemeentelijke eredienst of andere bijeenkomsten. Naleving zou ongehoorzaamheid zijn aan de duidelijke geboden van onze Heer.

Sommigen zullen denken dat een dergelijke verklaring in strijd is met het gebod om onderworpen te zijn aan de autoriteiten zoals uiteengezet in Romeinen 13 en 1 Petrus 2. De Schrift verplicht zorgvuldige, gewetensvolle gehoorzaamheid aan de overheid en hun agenten (in de woorden van Petrus: “niet alleen hen die goed en zachtaardig zijn, maar ook aan degenen die onredelijk zijn” (1 Petrus 2:18). Zolang de overheid zich niet bemoeit met het kerkelijk gezag, en zolang ze geen bevelen uitvaardigen die in strijd zijn met onze gehoorzaamheid aan Gods wetten, moeten we hun gezag gehoorzamen, ongeacht we het met hen eens zijn of niet. M.a.w. Romeinen 13 en 1 Petrus 2 geldt nog steeds voor ons christenen. We moeten onze burgerlijke autoriteiten gehoorzamen als machten die God Zelf heeft verordend.

Deel 1

Deel 2

De overheid heeft geen gezag in de kerk

Hoewel de overheid bekleed is met goddelijk gezag om de staat te regeren, kent geen enkele Bijbeltekst de overheid gezag toe over de kerk. God heeft drie instellingen binnen de menselijke samenleving gevestigd: het gezin, de staat en de kerk. Elke instelling heeft een gebied met juridische grenzen die moeten worden gerespecteerd. Het gezag van een vader is beperkt tot zijn eigen gezin. Het gezag van kerkleiders (dat hen door Christus is gedelegeerd) is beperkt tot hun kerkelijke aangelegenheden. En de overheid is specifiek belast met het toezicht op en de bescherming van de vrede en het welzijn van de burger binnen de grenzen van een natie of gemeenschap. God heeft burgerlijke heersers geen gezag verleend over de leer, praktijk of bestuur van de kerk. Het Bijbelse kader beperkt de autoriteit van elke instelling tot haar specifieke gebied. De kerk heeft niet het recht zich te bemoeien met de zaken van individuele gezinnen en het ouderlijk gezag mag de kerk niet negeren. Ouders hebben niet de bevoegdheid om burgerlijke zaken te regelen en overheidsfunctionarissen te omzeilen. Evenzo heeft de overheid niet het recht zich te mengen in kerkelijke zaken op een manier die het door God gegeven gezag van voorgangers en ouderlingen ondermijnt of negeert.

Wanneer een van de drie instellingen de grenzen van zijn gezag overschrijdt, is het de plicht van de andere instellingen om die overschrijding te beperken. Wanneer de overheid bevelen uitvaardigt om de eredienst te reguleren (zoals zangverbod, mondkapjes, anderhalve meter of het verbod op samenkomen), treedt ze buiten de legitieme grenzen van haar door God ingestelde autoriteit en neemt zij andermans gezag over. Het gezag over de kerk heeft God uitdrukkelijk en alleen aan de Heer Jezus Christus gegeven als soeverein Heerser over Zijn Koninkrijk, dat de kerk is. Zijn heerschappij wordt uitgevoerd in kerken door voorgangers en oudsten die Zijn Woord verkondigen (Mattheüs 16: 18–19; 2 Timotheüs 3: 16–4: 2).

In reactie op het bevel van de staat, dat kerken verplicht worden om hun bijeenkomsten voor onbepaalde tijd te beperken of op te schorten, verklaar ik, namens de geestelijke leiders van de kerk, dat de staat in deze zaak de grenzen van hun legitieme gezag hebben overschreden. Onze trouw aan Christus verbiedt ons zulke opgelegde beperkingen na te leven in de Heilige samenkomsten van Gods kinderen.

Anders gezegd: de staat heeft geen enkel recht of gezag om aanbidding te bevelen, te wijzigen, te verbieden of te verplichten. Wanneer, hoe en hoe vaak de kerk aanbidt is niet onderworpen aan caesar. Caesar zelf is onderworpen aan God. Jezus bevestigde dat principe toen Hij tegen Pilatus zei: “U zou geen autoriteit over Mij hebben, tenzij het u van boven was gegeven” (Johannes 19:11). En omdat Christus het Hoofd van de kerk is, hebben kerkelijke zaken betrekking op Zijn Koninkrijk, niet op dat van Caesar. Jezus maakte een duidelijk onderscheid tussen die twee koninkrijken toen Hij zei: “Geef aan Caesar wat van Caesar is, en aan God wat van God is” (Marcus 12:17). Onze Heer Zelf gaf aan Caesar wat van Caesar was, maar Hij bood Caesar nooit aan wat alleen aan God toebehoort. Als pastors en ouderlingen mogen we het gezag over de kerk nooit overdragen aan de overheid. Deze macht behoort uitsluitend toe aan Christus als hoofd van Zijn kerk. Herders en oudsten zijn degenen aan wie Christus die autoriteit heeft gedelegeerd. om Zijn geestelijk gezag in de kerk uit te oefenen (1 Petrus 5: 1-4; Hebreeën 13: 7, 17).
Alleen de Schrift bepaalt hoe en wie ze dienen (1 Korintiërs 4: 1–4). Ze zijn niet verplicht om bevelen van de staat op te volgen om de eredienst of het bestuur van de kerk te reguleren. Kerkleiders, die hun door Christus gedelegeerde autoriteit in de kerk afstaan aan de staat, hebben feitelijk afstand gedaan van hun verantwoordelijkheid. Daarmee hebben ze hun door God gedelegeerde gezag geschonden, net zoals de staat die onrechtmatig zijn autoriteit aan de kerk oplegt. Dit is een fundamentele leerstelling van de kerk.

We onderwijzen de autonomie van de plaatselijke kerk, vrij van enige externe autoriteit of controle, met het recht op zelfbestuur en vrijheid van inmenging van enige hiërarchie van individuen of organisaties (Titus 1: 5). Het is Bijbels dat ware kerken met elkaar samenwerken voor de proclamatie en verspreiding van het geloof. Elke plaatselijke kerk zou echter, via haar oudsten en hun interpretatie en toepassing van de Schrift, de enige moeten zijn die de maatstaf en de methode van haar samenwerking beoordeelt. De ouderlingen dienen ook alle andere zaken van lidmaatschap, beleid, discipline, welwillendheid en bestuur te bepalen. Zie hiervoor; (Handelingen 15: 19–31; 20:28; 1 Korintiërs 5: 4–7, 13; 1 Petrus 5: 1–4).

Kortom, als kerk hebben we geen staatstoestemming nodig om onze God te dienen en te aanbidden zoals Hij heeft geboden. De kerk is de bruid van Christus (2 Korintiërs 11: 2; Efeziërs 5: 23-27). Ze is alleen van Hem. Ze bestaat door Zijn wil en dient onder Zijn gezag. Hij zal geen aanval op haar tolereren en geen inbreuk toestaan op Zijn gezag als hoofd over haar. Dat alles werd bevestigd toen Jezus zei: “Ik zal Mijn kerk bouwen; en de poorten van de hel zullen het niet overweldigen”. (Mattheüs 16:18).

Christus ‘eigen gezag gaat ver boven alle autoriteit, macht en heerschappij, en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze eeuw maar ook in het komende. En God de Vader heeft alle dingen onder de voeten van Christus gesteld en Hem als hoofd boven al wat is gegeven aan de kerk, die Zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt” (Efeziërs 1:21 –23). Daarom omvat de gehoorzaamheid, die we aan onze overheid verschuldigd zijn, (Romeinen 13: 7) niet de naleving van hun regels wanneer deze de gezonde leer ondermijnen, de Bijbelse moraal bederven, of op welke manier dan ook in strijd zijn met het gezag van Christus als hoofd van de kerk. De Bijbelse orde is duidelijk: Christus is Heer over Caesar, niet andersom. Christus, niet Caesar, is het hoofd van de kerk. Omgekeerd regeert de kerk op geen enkele manier over de staat. Nogmaals, dit zijn verschillende koninkrijken, en Christus is soeverein over beide. Kerk noch staat heeft een hoger gezag dan dat van Christus Zelf, die verklaarde: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde” (Mattheüs 28:18).

Merk op dat we geen constitutioneel argument aanvoeren, ook al bevestigt de grondwet dit principe met de woorden: “De staat zal geen wet maken voor een religieuze instelling of een wet die de vrije uitoefening ervan verbiedt.” Het recht waarop we een beroep doen, is niet gecreëerd door de grondwet. Het is een van die onvervreemdbare rechten die uitsluitend door God zelf zijn verleend, die de menselijke regering heeft ingesteld en zowel de omvang als de beperkingen van de autoriteit van de staat heeft vastgesteld (Romeinen 13: 1-7). Ons argument is daarom met opzet niet gebaseerd op de grondwet; maar op dezelfde Bijbelse principes waarop de grondwet zelf is gebaseerd. Het beoefenen van ware religie is een goddelijke plicht die gegeven is aan mannen en vrouwen die naar Gods beeld geschapen zijn (Genesis 1: 26–27; Handelingen 4: 18–20; 5:29; vgl. Mattheüs 22: 16–22). Met andere woorden, vrijheid van aanbidding is een gebod van God, geen voorrecht dat door de staat wordt verleend.

In dit verband moet nog een punt worden gemaakt. Christus is altijd trouw en waarachtig (Openbaring 19:11). Menselijke regeringen zijn niet zo betrouwbaar. De Bijbel zegt: “de hele wereld ligt in de macht van de boze” (1 Johannes 5:19). Dat verwijst natuurlijk naar Satan. Johannes 12:31 en 16:11 noemen hem “de heerser van deze wereld”, wat betekent dat hij macht en invloed uitoefent via de politieke systemen van deze wereld (vgl. Lucas 4: 6; Efeziërs 2: 2; 6:12). Jezus zei over hem: “hij is een leugenaar en de vader der leugen” (Johannes 8:44). De geschiedenis staat vol pijnlijke herinneringen dat de macht van de overheid gemakkelijk en vaak voor slechte doeleinden wordt misbruikt. Politici kunnen statistieken manipuleren en de media kunnen ongemakkelijke waarheden verdoezelen of camoufleren. Dus een onderscheidende kerk kan er niet passief of automatisch aan voldoen als de regering beveelt om kerken te sluiten – zelfs als de opgegeven reden een zorg is voor de volksgezondheid en veiligheid.

De kerk is per definitie een gemeente. Dat is de letterlijke betekenis van het Griekse woord voor “kerk” – ecclesia – de vergadering van de geroepenen. Een samenkomst waarbij men niet mag samenkomen, is in tegenspraak met de simpele betekenis van het woord zelf. Christenen worden zelfs geboden om hun samenkomen niet te verzaken (Hebreeën 10:25) – en geen enkele aardse staat heeft het recht om het samenkomen van gelovigen te beperken, af te bakenen of te verbieden. Het is niet voor niets, dat wij altijd de ondergrondse kerk gesteund hebben in landen waar christelijke samenkomsten door de staat als illegaal wordt beschouwd. Het lijkt erop dat die vrijheid ons nu ook wordt ontnomen.

Wanneer ambtenaren het kerkbezoek willen reguleren tot een bepaald aantal, proberen ze een beperking op te leggen die het in principe onmogelijk maakt voor de heiligen om als kerk samen te komen. Wanneer de overheid het zingen tijdens erediensten verbiedt, proberen ze een beperking op te leggen die het in principe onmogelijk maakt voor het volk van God om de geboden van Efeziërs 5:19 en Colossenzen 3:16 te gehoorzamen. Wanneer men anderhalve meter afstand eist, proberen ze een beperking op te leggen die het onmogelijk maakt om de intieme gemeenschap tussen gelovigen te ervaren die wordt geboden in Romeinen 16:16, 1 Korintiërs 16:20, 2 Korintiërs 13:12 en 1 Thessalonicenzen 5: 26. In al die sferen moeten we ons onderwerpen aan onze Heer en niet aan de staat.

Hoewel wij niet gewend zijn dat de overheid de kerk van Christus binnendringt, is dit zeker niet de eerste keer dat de kerk te maken heeft met de onwettige bemoeienis van het rijk en van vijandige heersers. In feite is vervolging van de kerk door de overheid geen uitzondering geweest in de kerkgeschiedenis. “Inderdaad”, zegt de Schrift, “allen die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden” (2 Timotheüs 3:12). Historisch gezien zijn de twee belangrijkste vervolgers altijd de seculiere regering en valse religie geweest. De meeste martelaren van het christendom zijn gestorven omdat ze weigerden dergelijke autoriteiten te gehoorzamen. Dit is tenslotte wat Christus beloofde: “Indien zij Mij vervolgden, zullen zij ook u vervolgen” (Johannes 15:20). In de laatste zaligspreking zei Hij: “Gezegend zijt gij wanneer mensen u beledigen en vervolgen omwille van Christus, en valselijk allerlei kwaad van u spreken. Verheug u en wees blij, want uw beloning in de hemel is groot; want op dezelfde wijze hebben zij de profeten vóór u vervolgd ‘(Mattheüs 5: 11–12).

Naarmate de overheid verder verwijderd raakt van Bijbelse principes en de juridische en politieke druk op de kerk toeneemt, zou God deze druk kunnen gebruiken om de gemeente te zuiveren zodat de ware kerk openbaar wordt. Buigen voor de bemoeienis van de staat kan ertoe leiden dat kerken voor onbepaalde tijd gesloten blijven. Hoe kan de ware kerk van Christus zich onderscheiden in zo’n vijandig klimaat? Er is maar één manier: moedige trouw aan de Heer Jezus Christus.

Zelfs waar regeringen sympathiek tegenover de kerk lijken te staan, hebben christelijke leiders vaak moeten terugslaan tegen agressieve beslissingen van de overheid. In het Genève van Calvijn moesten kerkleiders soms pogingen van de gemeenteraad afweren om aspecten van de eredienst, bestuur en kerkelijke discipline te kunnen handhaven. De Kerk van Engeland is nooit volledig hervormd, juist omdat de Britse kroon en het parlement zich altijd met de kerk heeft bemoeid. In 1662 werden de Puriteinen van hun kansels gegooid omdat ze weigerden om het ‘Book of Common Prayer’ te gebruiken, bepaalde gewaden te dragen en andere ceremoniële aspecten van door de staat gereguleerde eredienst te volgen. De Britse Monarch beweert nog steeds de oppergouverneur en het hoofd van de Anglicaanse Kerk te zijn.

Maar Christus is het enige hoofd van de kerk, en we zouden die waarheid altijd hoog moeten houden. Om die reden kunnen we de regels die het rijk de kerk oplegt niet accepteren. Dus zullen we niet buigen. We bieden dit antwoord zonder wrok, en niet met een hart dat strijdlustig of rebels is (1 Timotheüs 2: 1–8; 1 Petrus 2: 13–17), maar met het ontnuchterende besef dat we verantwoording moeten afleggen aan de Heer Jezus voor het rentmeesterschap dat Hij ons heeft gegeven als herders van Zijn kostbare kudde.

Tegen onze regering zeggen we respectvol met de apostelen: “Beslist zelf, of het recht is voor God, meer aan u dan aan God gehoor te geven” (Handelingen 4:19). En zonder aarzelen is ons antwoord op die vraag hetzelfde als dat van de apostelen: “Wij moeten God meer gehoorzamen dan mensen” (Hand. 5:29). Ons gebed is dat elke trouwe gemeente hieraan gehoor zal geven in gehoorzaamheid aan onze Heer, zoals christenen door de eeuwen heen hebben gedaan.

Slotwoord

Aanvankelijk stemden veel kerken in met oorspronkelijke regeringsbevel, niet omdat we geloofden dat de staat het recht heeft kerken te vertellen wanneer, of en hoe ze moeten aanbidden. Maar omdat we aanvankelijk onmogelijk de ware ernst van het virus hadden kunnen inschatten, en omdat we om mensen geven zoals onze Heer deed, geloven we dat het beschermen van de volksgezondheid tegen ernstige besmettingen een rechtmatige taak is van zowel christenen als burgerregeringen. Daarom hebben we vrijwillig de eerste aanbevelingen van onze regering opgevolgd. Het is natuurlijk legitiem voor christenen om zich tijdelijk te onthouden van de bijeenkomst van heiligen in het licht van ziekte of een onmiddellijke bedreiging van de volksgezondheid.

Toen de verwoestende lockdown begon, moest het een tijdelijke noodmaatregel zijn, met als doel ‘de curve af te vlakken’ – wat betekent dat ze de infectiegraad wilden vertragen om ervoor te zorgen dat ziekenhuizen niet overweldigd werden. En er waren gruwelijke projecties van de dood. In het licht van die factoren ondersteunden veel voorgangers de maatregelen door de richtlijnen in acht te nemen die voor kerken werden uitgevaardigd.

Maar we moeten ons geestelijk gezag niet aan de seculiere regering over dragen. Aanvankelijk was dit een vrijwillige naleving omwille van de volksgezondheid. Maar toen die beperkingen verder gingen dan het gestelde doel, en de politiek zich op ongepaste wijze met kerkelijke aangelegenheden begon te bemoeien, en/of nog meer beperkingen begonnen toe te voegen die de missie van de kerk ondermijnde, was het tijd om tegengas te geven en onze verantwoordelijkheid te nemen.

Maar we zijn nu bijna een half jaar verder en de sterftecijfers zijn beduidend lager dan de oorspronkelijke prognoses en het virus is lang niet zo gevaarlijk als aanvankelijk werd gevreesd. Al die tijd echter kon de kerk niet op een normale manier bijeenkomen. Het vermogen van predikanten om hun kudde te hoeden is ernstig beperkt. De eenheid en invloed van de kerk wordt bedreigd. Mogelijkheden voor gelovigen om elkaar te zien en te dienen, zijn gemist. En het lijden van christenen die onrustig, angstig, bedroefd, zwak zijn of anderszins dringend behoefte hebben aan gemeenschap en aanmoediging, is groter geworden dan alles wat redelijkerwijs als rechtvaardig of noodzakelijk zou kunnen worden beschouwd. Grote openbare evenementen die waren gepland voor 2021 worden al geannuleerd, wat aangeeft dat ambtenaren zich voorbereiden om de beperkingen tot volgend jaar en daarna van kracht te houden. Dat dwingt kerken om te kiezen tussen het duidelijke gebod van onze Heer en de staat. Daarom zouden we ervoor moeten kiezen, om in navolging van het gezag van onze Heer Jezus Christus, Hem te gehoorzamen.

Ik roep alle kerken op om dit Bijbelse mandaat te ondersteunen om weer samen te komen voor onze onderlinge samenkomsten en voor gezamenlijke aanbidding.

(Dit artikel is vertaald en bewerkt naar aanleiding van de brief die Rev. McArtur schreef, om zijn besluit toe te lichten waarom ze als gemeente weer samenkomen – door Jaap Dieleman).

ONTVANG EEN E-MAIL BIJ IEDERE NIEUWE AFLEVERING

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

Youtube censureert steeds meer video’s! Via de nieuwsbrief kunnen we u altijd bereiken!